De kleefmortel dient volgens de voorschriften gemengd en verwerkt te worden, in functie van het type en de toepassing. Het aanbrengen van de kleefmortel gebeurt in functie van de ruwheid, resp. oneffenheid van de ondergrond.

• de kambedmethode. Hierbij wordt de kleefmortel over het ganse oppervlak van de isolatieplaat aangebracht met behulp van een kamspaan. Het formaat hiervan is minimaal 10/10 mm.
Deze methode is enkel geschikt voor vlakke ondergronden, zoals bvb. stortbeton, prefabpanelen.

• de noppenmethode. Hierbij wordt de kleefmortel in voldoende dikke banen aangebracht in een gesloten randverlijming, en in een aantal noppen verdeeld over het oppervlak. Dit moet zó gebeuren dat minimaal 40% van het plaatoppervlak contact maakt met de ondergrond. Met deze methode kunnen oneffenheden tot maximum 15 mm opgevangen worden.

Indien de ondergrond oneffenheden vertoont die groter zijn dan 15 mm, moet men deze vooraf uitvlakken met een kalk – cementmortel Capatect LUP 170.

De graad van verkleving van deze methodes kan eenvoudig gecontroleerd worden door de isola- tieplaat direct na plaatsing los te trekken van de ondergrond en zo de verkleving te verifiëren.

Als alternatief voor minerale kleefmortels bestaat er ook PU-kleefschuim Capatect EcoFix 055. Deze wordt aangebracht volgens de W-vorm lijmmethode. Deze methode is enkel geschikt voor het verlijmen van EPS. Hierbij wordt een omlopende strook lijmschuim aangebracht op de rand en bijkomend binnenin deze vorm een doorlopende schuimstrook in W -vorm over de volledige breedte van het isolatiepaneel.

Voor houten ondergronden wordt dispersielijm Capatect Rollkleber 615 gebruikt.

Methode 1: kambedmethode
Methode 2: noppenmethode
Methode 3: PU-kleefschuim Capatect Ecofix 055

Meer info vindt u op:
www.caparol.be/assortiment/thermische-gevelisolatie/systemen


0 reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *